Ralf is stervende. Ralf is een kunstenaar en in de vijftig. Zijn carrière is gestagneerd, en de liefde voor Lara is langzaam weggesijpeld. Ze kunnen alleen nog maar ruziën of praten over vroeger in anonieme grand cafés, of ergens ‘op een onbepaalde plaats’. Al dan niet in het bijzijn van een van de twee minnaars die Lara er op na houdt. Als Ralf een van die minnaars, de jonge Harco, ontmoet, vindt de volgende conversatie plaats.
HARCO […] Misschien ben ik gewoon nieuwsgierig
Nieuwsgierig naar iemand die ik niet ken
Doodsvoyeurisme
Denk je nu na over je leven?
RALF Ik zou niet weten hoe dat moet
Ik kan er nog niet over denken alsof het een verhaal is, een verhaal dat niet alleen een begin heeft en een midden, maar ook een eind
Mijn levensloop …
Goed woord, eigenlijk, levensloop
Het leven loopt en wij lopen mee – we zitten eraan vastgebonden als een hond achter een kar
Aldus Ralf in Kramp, een niet eerder opgevoerd toneelstuk van Rob de Graaf (1952) dat onlangs gepubliceerd is in de bundel Teksten voor theater met daarin dertien van zijn recente stukken. Ralfs existentialistische wanhoop is tekenend voor het late werk van De Graaf. Bijna alle personages hebben een leeftijd bereikt waarop het aantal reeds geleefde jaren groter is dan het aantal waar ze nog naar uit kunnen kijken. De dood komt in zicht. Vaak letterlijk, zoals in Kramp. Maar ook voor Chra in Geslacht, en voor de personages in Vrede: een ‘komedie over rouwverwerking’.
Vroeger was schijnbaar alles beter. Maar de avant-garde van toen, waartoe ook Ralf behoort, is inmiddels achterhaald. Het achteruitkijken, het herinneren en reconstrueren van die geschiedenis, die ‘levensloop’, is wat De Graafs personages op de been houdt. Maar hoe betrouwbaar is een dergelijk verhaal?
‘De werkelijkheid is ook een beeld. De grijze afbeelding van wat we niet kennen,’ zegt Ralf. Je kunt een ander mens nooit echt kennen. Je kunt niet over de werkelijkheid heersen, hoe hard je ook probeert. En die onmacht, die wanhopige machtloosheid komt iedere keer weer naar voren in al deze Teksten voor theater. Het leven gaat inderdaad met mensen op de loop. Onbewust zegt Ralf tegelijk: het leven sloopt. Het leven is uiteindelijk een tergende exercitie. Een van de weinige dingen die het dragelijk lijkt te maken, is kunst, ofwel het maken van telkens weer nieuwe afbeeldingen van een onbetrouwbare werkelijkheid, want: ‘Als je kunt maken wat je wilt heb je geen last meer van het leven’ (uit Kramp).
Rob de Graaf maakt al dertig jaar wat hij wil. In 1978 begon hij samen met mimespelers Dik Boutkan en Marien Jongewaard de theatergroep Nieuw West. Later in de jaren 90 werden zijn originele, spitsvondige, soms ronduit agressieve teksten opgemerkt door andere theatermakers in de voorhoede van het hedendaagse theater. De teksten in deze bundel zijn allemaal geschreven tussen 2002 en 2007. Vier daarvan (Pony, Ko, Ahab en Liefde) zijn gespeeld door onder andere Marien Jongewaard bij Nieuw West, twee (Geslacht en Schuur) door Dood Paard, en ook het voor Keessen&Co geschreven Vrede staat er in. Deze laatste tekst won vorig jaar de Taalunie Toneelschrijfprijs. Ook zijn vier tot nog toe ongespeelde stukken opgenomen.
‘Ik, op zoek naar steeds weer nieuwe metaforen voor hetzelfde. Metaforen voor verlies,’ zegt personage Marien in Ahab. In deze verzamelde teksten van De Graaf nemen eenzaamheid, dood en verlies een prominente plaats in. Verlies door dood, en eenzaamheid door verlies.
In Teksten voor theater wordt flink gestorven. De leegte die de dode of wegloper achterlaat, heeft op de personages immer een verlammende werking. Dit is een leegte in hun leven die er altijd al was, maar die door het verlies nadrukkelijk zichtbaar wordt gemaakt en een proces van rouwverwerking in gang zet. Ze trekken zich terug in een gammele boerderij op een waddeneiland, bivakkeren in een kille rouwkamer, of slenteren over winderige pleinen.
Hun zelfhaat, en afkeer van alles en iedereen om zich heen is onpeilbaar. ‘Jij bent de belichaming van de sociale onmacht’ (uit Schuur). Ze zijn niet meer in staat om anderen lief te lebben. ‘Houden van – ik ken geen begrip dat zo veel gebruikt en zo weinig begrepen wordt’ (uit Geslacht). En liefde leidt altijd tot onbegrip.
Personages bij De Graaf zijn geen hapklare brokken psychologie, geen kant-en-klare case studies voor al te gretige Freudianen, maar vaten vol tegenstrijdige verlangens. Er bestaat in deze wereld alleen pijn, lelijkheid en eenzaamheid. En iedereen is hetzelfde lot beschoren: man, vrouw, homo of hetero.
De Graaf beschikt over een indrukwekkend pallet aan minutieuze woorden om deze vaak plompverloren gemanifesteerde, en niet zelden extreme vorm van melancholie uit te drukken. Dit zijn wrange, soms pikzwarte komedies. Die humor moet altijd gezocht worden op het niveau van de taal, en nooit in de handeling, die er nauwelijks is. Er wordt slechts gegeten, gedronken, en gezeten.
De Graafs toneelwerk bestaat voornamelijk uit taal. Taal om te vertellen, en taal om te ontregelen. Levensecht zijn de dialogen nooit. Daar zijn de personages te welbespraakt voor. Zijn teksten zijn poëtisch, het zijn barokke bouwsels, soms op het geniale af, waarin het een enkele keer moeilijk doordringen is. Het niet eerder opgevoerde Verlaten bijvoorbeeld, een mozaïek van monologen vol hunkering en nostalgie. Taalkunstenaar De Graaf schiet hier zijn doel voorbij. Er is geen sprake meer van contact. Er zijn geen onderscheidbare personages, alleen een stroom aan topzware woorden die de tekst jammerlijk aan het wankelen brengen.
In de andere stukken is de verhouding tussen De Graafs ‘niet alledaagse personages’ en zijn ‘poëtische taal als zwaard en als schild tegen de omringde lelijkheid’ veel beter afgestemd, om en passent enkele woorden van Wanda Reisel uit de inleiding van deze bundel aan te halen.
De boekvorm doet geen afbreuk aan de theaterteksten. Lange, tergende lappen met regieaanwijzingen zijn afwezig. Wat dat betreft houdt De Graaf zich beperkt tot heel af en toe een kort, onzeker zinnetje, zoals: ‘Ze eten oesters’ (Geslacht), ‘In de kamer ligt een dode’ (Vrede), of ‘Ralf ligt in een bed dat in de woonkamer is neergezet – kennelijk ziek’ (Kramp). De dialogen en een sporadische monoloog lezen snel en makkelijk. Ook zonder acteurs of enscenering blijven de teksten vol zeggingskracht, en tevens geestig. Wie Schuur in de uitvoering van Dood Paard zag, zal bij het lezen van dit stuk allicht acteurs Oscar van Woensel en Manja Topper in zijn hoofd hebben. En ook een opvoering van een markante acteur als Marien Jongewaard zal een lezer onmogelijk kunnen uitbannen.
Maar Rob de Graaf lezen is een heel andere ervaring dan Rob de Graaf zien in het theater. De rijkheid van de tekst en het spel met de woorden treden nu veel meer naar voren. Sommige monologen lezen nog het meest als gedichten. Deze bundeling van dertien stukken laat verschillende aspecten zien van een toneelauteur op de toppen van zijn kunnen, en maakt een langdurige onderdompeling in de sombere wereld van De Graaf mogelijk. En daar moet je tegen kunnen.
Neem Geslacht. Een tekst over drie vrienden die de middelbare leeftijd beginnen te naderen. Ze komen erachter dat alles waar ze ooit voor stonden, al hun idealen en liefdes verloochend of vergeten zijn. Chra en Yokram vormen een kinderloos echtpaar, een zakenvrouw en een wetenschapper. Succes heeft hun cynisch gestemd, en verbitterd drinken ze nu hun heimwee naar het verleden weg. Typisch: het eerst woord dat Chra uitspreekt is ‘vroeger’.
Vriend Attergal laat een mooie, jonge jongen overkomen uit Chili. Deze nieuwe liefde in het leven van de wethouder heet Kilo. Maar de jongen is bij voorbaat verloren tussen dat spottende zootje Hollandse cultuurpessimisten dat even stuitend is als hun namen doen vermoeden. Als roofdieren werpen ze zich op de jongen in de hoop zich een flard van zijn onbevlekte onschuld toe te kunnen eigenen.
CHRA […] Het is koud, Kilo
Het is koud en jij moet me vasthouden
Jij moet een man zijn, een dier
De pony waar ik op reed toen ik een meisje was
Maar de machtwellustelingen (veel personages bij De Graaf zitten in de politiek) verliezen, ook in Geslacht. Het is een weer verhaal zonder einde. Kilo gaat terug naar zijn vaderland. En Chra vindt geen verlossing. Ze sterft na een slopend ziektebed, zonder dat ze in staat was de sluier van schijnbaar geluk die het moderne leven door middel van concepten als liefde en carrière opwerpt, van zich af te werpen. Net als Ralf in Kramp.
Het is het theater van de onmacht, wat De Graaf schrijft. De onmacht om in het hier en nu te leven. ‘Ik geloof dat het enige waar je echt van kunt houden niet een mens is maar een herinnering – de herinnering aan iets waarvan je niet eens weet of het ooit bestaan heeft,’ zegt Yokram.
Geslacht is speciaal geschreven voor de acteurs van Dood Paard, die er enkele jaren geleden een alom geroemde voorstelling van maakten. Dit seizoen zal het Toneel Speelt deze tekst opnieuw ensceneren. Met hoofdrollen voor Carine Crutzen en Mark Rietman. Hiermee is het werk van De Graaf na dertig jaar ook in de grote schouwburgzalen te zien. Nota bene Ger Thijs regisseert. Dat betekent erkenning, misschien zelfs een overwinning voor de begaafde toneelauteur. Maar hoe diens duistere, chaotische en uiterst talige toneelkunst zich verhoudt tot het grote zalenpubliek dat het Toneel Speelt doorgaans bedient, blijft vooralsnog een interessante vraag. Laten we hopen op een niet al te cynisch stemmend succes.
Teksten voor theater. Dertien stukken van Rob de Graaf, De Geus, 2008, 512 pp. ISBN 978-90-445-1198-7, www.degeus.nl
Recensie voor Theatermaker, augustus 2008
Reacties
Powered by Facebook Comments