recensie - De martelaar: een kickbokstragedie - Het Volksoperahuis


Lachen om religies bij Volksoperahuis in ‘De martelaar’

Lachen om religies bij Volksoperahuis in ‘De martelaar’

De islam is een bron van vermaak voor muziektheatergroep Het Volksoperahuis. Met De martelaar: een kickbokstragedie trapt de groep een drieluik over religie af – thans een populair onderwerp in de Nederlandse theaters. In hun vorige trilogie, Zeeuwse Nachten, ontleedden ze de Nederlandse identiteit. Nu is de islam de eerste godsdienst die door tekstschrijver Rogier Schippers en componist Jef Hofmeister onder handen wordt genomen.

Hoofdpersonage is de niet al te snuggere Samir (Kees Scholten) uit Amsterdam-Noord. Zijn vader is om het leven gekomen bij een proefrit van de Noord-Zuidlijn. Zijn broer, een tasjesdief, is gedood door een vrouw die hem achteruit aanreed met haar auto. En zijn moeder (Schippers in burqa) blijkt door de duivel bezeten. Een succesvolle kickbokscarrière lijkt zijn enige weg uit deze persoonlijke hel.

Humor voert de boventoon in deze tragikomedie. Een enkele grap is te flauw, of wordt een keer te veel herhaald. Maar dat verhindert niet dat er een goede balans is tussen de cabareteske sketches, waarin een hilarische Schippers domineert, en de serieuze liedjes, waarin vooral Scholten laat horen dat hij een dijk van een stem heeft. Met enkel een piano, een gitaar en wat percussie speelt de groep een stuk of vijf ijzersterke nummers, van satanische blues tot een vrome ballade.

Wat het Volksoperahuis nu precies wil zeggen over de drie grote monotheïstische religies is aan het einde van dit eerste deel nog niet duidelijk. Ze belachelijk maken, lijkt vooralsnog hun grootste zorg. En daar is natuurlijk niets mis mee. Zeker als dat, zoals hier, gebeurt met een hoop spelplezier en muzikale virtuositeit.

Reacties

reacties

Powered by Facebook Comments