‘Tvert imot!’
De laatste woorden die de Noorse toneelauteur Henrik Ibsen (1828 -1906) op zijn sterfbed sprak, betekenen ‘integendeel’. Het was bedoeld als reactie op de mededeling van de zuster aan zijn familie, dat het al weer iets beter ging met hem. De volgende dag overleed hij.
Waar of niet, het is een passende anekdote voor de man die wereldberoemd is geworden met een reeks van 12 moderne realistische toneelstukken, waarin hij de sociale misstanden van zijn tijd tot onderwerp maakte. In de bekendste en meest gespeelde daarvan, Een poppenhuis (of Nora) (1879), Spoken (1881) en Hedda Gabler (1890), ageert hij fel tegen de verstikkende moraal die destijds rond het huwelijk hing en waarvan vrouwen de dupe waren. Zo fel, dat een nieuw stuk van Ibsen destijds niet zelden voor een relletje zorgde, of zelfs tot een opvoeringsverbod leidde.
Dat was toen. Toch worden zijn inmiddels meer dan 100 jaar oude stukken nog steeds met grote regelmaat gespeeld. Vlak achter elkaar gingen onlangs twee Ibsen-ensceneringen in première. De wilde eend (1884) bij De Theatercompagnie en het hoogstzelden opgevoerde Pijlers van de samenleving (1877) bij Toneelgroep Oostpool. Op zich niet opmerkelijk. Maar laat nu allebei deze Ibsens geregisseerd zijn door twee nog relatief jonge theatermakers, Maaike van Langen (1971) en Erik Whien (1978) draaien nu een kleine 10 jaar mee. Allebei hebben ze per 1 januari 2009 een vaste regisseursplek bij de theatergroep waar ze nu ‘een Ibsen’ regisseren.
Zowel Whien als Van Langen krijgt regelmatig de vraag of Ibsen gedateerd is, ook van generatiegenoten. Maar, gezeten in het Compagnietheater in Amsterdam, ontkennen beide regisseurs dit hoofdschuddend. Whien: ‘Het blijkt toch een beetje not-done, een stuk van 130 jaar oud regisseren. Onzin natuurlijk. Een slecht stuk uit 1870, dat is gedateerd. En een slecht stuk van nu, net zo.’ Van Langen: ‘Ik vind Ibsens inzichten in hoe mensen zijn, gewoon ontzettend intelligent.’
Van Langen laat haar Wilde eend spelen op een grotendeels leeg toneel, met alleen een prominente glazen constructie als abstracte versie van de zolder die een belangrijke rol speelt in dit stuk. De acteurs – modern gekleed – komen onnadrukkelijk op, en richten al hun aandacht op de tekst, die bij Van Langen heilig is.
Van een dergelijke soberheid is niets te merken in Whiens bewerking van Pijlers van de samenleving, dat hij zelf een ‘vormexperiment’ noemt. Popmuziek, videobeelden, kostuumrekken en een overvol toneel doen evenwel niet vermoeden dat het hier gaat om een stuk uit 1877. Ibsen wordt hier gespeeld tussen twee enorme vergadertafels.
Het gaat beide regisseurs om de kern van zijn stukken, om wat hij te zeggen heeft over intermenselijke relaties. Waarom doen mensen elkaar de dingen aan, die ze elkaar aandoen? Beiden zijn het er over eens dat je je dan niet moet laten afleiden door de misschien verouderde context. Whien: ‘Wat Ibsen vaak doet, is de waarheid – dat wat niemand mag weten – in een brief verwoorden. Als die dan verscheurd wordt, komt alles goed. Of iemand raakt, heel dramatisch, een manuscript kwijt, zoals in Hedda Gabler. Dan kan je tegenwoordig denken: nou en, je hebt toch een back-up? Als theatermaker kan je dat dan gaan moderniseren en personages met laptops over het toneel laten zeulen en de waarheid op een floppy zetten.’
Van Langen: ‘Een floppy? Dat is anders ook heel ouderwets, hoor.’
Whien: ‘Precies. Als je het helemaal naar nu gaat halen, creëer je weer nieuwe valkuilen.’
Van Langen: Ik heb geen last van die ouderwetse dingen. Als je inzoomt op de mechanismen tussen mensen, dan vind ik het niet erg dat het een stuk uit 1884 is. Ik heb daarom ook alle koffiekopjes, theekopjes, meubelstukken en andere overbodige rommel eruit gehaald. Transparantie, daar gaat het om .’
De vraag of Ibsen zoveel jaar na dato eigenlijk nog wel iets te vertellen heeft, met zijn gedegen realistische toneelstukken, is niet nieuw. Hij werd ook al gesteld in het midden van de vorige eeuw, door de Duitse theaterhervormer en marxist Bertolt Brecht (1898 – 1956). Hij verafschuwde het werk van Ibsen en alle andere 19e eeuwse realisten, dat hij conservatief en ‘bourgeois’ theater noemde. Dit was volgens hem totaal oninteressant, omdat het een vals beeld van de wereld gaf. Deze was sinds de tijd van Ibsen immers drastisch veranderd. Brecht ontwikkelde in reactie hierop het zogenaamde 'episch theater' dat geen illusie mocht bieden en waarin didactische lessen van groot belang waren.
De ironie is dat nu de toneelteksten van Brecht zelf veelal worden gezien als gedateerde museumstukken, die – indien letterlijk gespeeld – niets meer met het hier en nu te maken hebben. Ibsen wordt daarom nu wereldwijd vaker opgevoerd dan Brecht, en iedere grote regisseur ontkomt er bijna niet aan om ooit eens Ibsen te ensceneren. Veel meer ook dan tijdgenoten en mede-realisten als Zola, Tolstoy en Strindberg.
Een verklaring daarvoor is dat Ibsens realisme eigenlijk veel verder gaat dan de weergave van een maatschappelijk probleem in een realistische context. Ze leveren ook geen kant en klare inzichten of oplossingen. Personages handelen vaak uit persoonlijke beweegredenen en hun dialogen zitten vaak vol dubbelzinnigheden. Onoplosbare meningsverschillen zijn niet zeldzaam in Ibsens werk.
‘Ibsen heft geen vingertje,’ zegt Erik Whien. ‘Hij zou nooit zeggen zegt dat kapitalisme slecht is, zoals Brecht dat deed. Integendeel, hij laat zien dat het voor sommige mensen goed is, en voor andere slecht. Je kan nu ook zeggen: globalisering is slecht. Maar het is toch vreselijk als iemand dat heel stellig gaat verkondigen. Ik houd er niet van als er voor mij gedacht wordt.’
Zo kan Ibsen modern blijven. De waarheid ligt bij hem nooit vast. En alle denkbeelden die verwoord worden, staan open voor discussie. Het beeld van de werkelijkheid dat Ibsen in zijn realisme schetst, ligt niet vast in verouderde politieke of psychologische opvattingen.
Een duidelijk voorbeeld daarvan zijn de twee tegenpolen Gregers Werle en Dr. Relling uit De Wilde Eend. Werle is de idealist die koste wat het kost de waarheid aan het licht wil krijgen. Hij wil de leugens waarop het huwelijk van zijn vriend Hjalmar gebaseerd is, in de openbaarheid brengen. En hij gaat daar heel ver in. Te ver, want uiteindelijk heeft hij de dood van een kind op zijn geweten. Relling hekelt Werle om die levenshouding. Volgens hem kan een mens alleen gelukkig leven in zelfbedrog. Wat niet weet, wat niet deert, is zijn motto.
Niet toevallig waren het ook juist de conversaties tussen deze twee personages die regisseur Maaike van Langen aantrokken in de tekst: ‘Tijdens het lezen van die tekst, dacht ik: ik praat hier elke dag over met mensen. Vaak vraag ik mij af of ik iemand niet meer in zijn recht had gelaten, als ik iets gewoon zou hebben verzwegen. Als je weet dat de man van je beste vriendin vreemd gaat, moet je dat dan zeggen of niet.’
Pijlers van de samenleving gaat, anders dan gebruikelijk bij Ibsen, niet over een gezin, maar over een ondernemer die moet kiezen tussen zichzelf en de samenleving. Whien: ‘Ik vroeg mij eerst af waarom dit stuk nooit gespeeld wordt. Misschien is het wel een enorme kat in de zak: het niet gespeelde stuk van Ibsen. Maar toen las ik het in een adem uit. Het raakte me, ik vond het zelfs actueel.’
Whien vergelijkt hoofdpersonage Karsten met een politiek leider, die wat leugentjes heeft gebezigd en hier en daar de andere kant op heeft gekeken, maar uiteindelijk beweert het allemaal voor de samenleving te hebben gedaan. Dat is niet waar. Hij deed het voornamelijk voor zichzelf, hij heeft het grootste huis en het meeste aanzien. Maar bij het uitkomen van die waarheid, is niemand gebaat. Op het einde moet Karsten niettemin sorry zeggen, wat hij, geheel in stijl, halfslachtig doet.
Whien: ‘Hij is een beetje zoals Bill Clinton, ten tijde van Monica Lewinsky. Clinton zegt daarover uiteindelijk dat hij berouw heeft. Hij had gelogen en had het nooit mogen doen. Maar hij hoopt dat iedereen nog steeds vertrouwen in hem blijft hebben. Dat is precies de tekst van Karsten.’
Het ontroert Whien dat deze problematiek de mensheid al in Ibsens tijd, en nog steeds, bezighoudt. Zijn stukken slaan als het ware een brug in de tijd, zoals ook de stukken van Shakespeare dat doen. Ze zeggen niet alleen iets over de waan van de dag, maar scheppen een verbintenis met toen.
Van Langen: ‘Erik vindt dat ontroerend, maar ik vind het ook wel heftig. Het is toch verontrustend om te zien dat de problemen waar ik me nu zo’n lange tijd mee bezig houd, honderd jaar geleden ook al bestonden. Dat gaat dus niet veranderen.’
Whien: ‘Ontroerend op een troostende manier. Het is verontrustend, ja, maar aan de andere kant maakt het je ook iets minder eenzaam in je gevecht. Het is dus kennelijk eigen aan de mensen.’
Die subtiliteiten en genuanceerde formuleringen die Ibsen nog altijd zo modern maken, vond Whien ook terug in de vertaling van Pijlers van de samenleving. ‘Daar werd soms gesproken over een leugen, en soms over een onwaarheid. Dat is niet hetzelfde. Karsten zegt heel subtiel dat hij iets niet ontkend heeft. Noch bevestigd. Nuanceverschil.’
Van Langen: ‘In De wilde eend heet dat zelfbedrog.’
Whien: ‘Ook mooi. Dat is wat anders dan een leugen. Leugen is eigenlijk ook een rotwoord. Bedrog is mooi.’
Van Langen: ‘Leugen impliceert schuld.’
Whien: ‘Bedrog heeft ook te maken met overleven. Dat overkomt je. Voor je er erg in hebt, zit je er middenin en kan je geen kant meer op.’
Van Langen: ‘Het personage Relling in mijn stuk zegt dat het onmogelijk is te leven zonder zelfbedrog. Hij heeft natuurlijk zo zijn redenen om dit te zeggen, maar toch denk ik ook dat Relling hier de mening van Ibsen zelf verwoordt. Eigenlijk zegt Ibsen: het is kut dat het zo is, maar het is nou eenmaal zo.’
De wilde eend door De Theatercompagnie, regie: Maaike van Langen is op tournee t/m 28/3. Pijlers van de samenleving door Toneelgroep Oostpool, regie: Erik Whien is door het hele land te zien t/m 27/4. zie: www.theatercompagnie.nl, www.oostpool.nl
Reacties
Powered by Facebook Comments